Pijn bij patiënten met kanker

Samenvatting
Let op: dit is een samenvatting van de belangrijkste aanbevelingen uit de richtlijn; raadpleeg de betreffende modules van de richtlijn voor de volledige aanbevelingen, onderbouwing en aanvullende informatie.

Algemeen

  • Doe altijd een anamnese en lichamelijk onderzoek en op indicatie aanvullend onderzoek. Maak bij moeilijk behandelbare pijn gebruik van de gestructureerde pijnanamnese van V&VN.
  • Maak op basis van de aard van de pijn en eventuele begeleidende verschijnselen onderscheid tussen nociceptieve en neuropatische pijn.
  • Schenk aandacht aan de somatische, psychische, sociale en spirituele dimensies van de pijn.
  • Meet regelmatig pijn met behulp van een Numeric Rating Scale. Onderneem actie, indien de pijnintensiteitsscore ≥4 is en de patiënt hiermee instemt.
  • Stel de oorza(a)k(en) en beïnvloedende factoren van de pijn vast.
  • Geef voorlichting over pijn en de behandeling ervan en stimuleer therapietrouw en zelfmanagement.
  • Zorg voor ondersteuning van patiënt en naasten.
  • Bevorder de continuïteit en coördinatie van zorg d.m.v. een individueel zorgplan, één centrale zorgverlener en goede overdracht en overleg tussen verschillende betrokken zorgverleners.

Behandeling van de oorzaak

  • Behandeling van de onderliggende ziekte (systemische therapie) of comorbiditeit.
  • Verder: radiotherapie, nucleaire therapie, chirurgie, bisfosfonaten (zoledroninezuur i.v. of clodroninezuur p.o.) bij de ziekte van Kahler of bij botmetastasen.
  • Behandeling van lichamelijke klachten (bijv. hoesten) die pijn uitlokken of verergeren.

Niet-medicamenteuze behandeling

  • Maak zo nodig gebruik van klassieke massage en/of ontspanningsoefeningen, al dan niet in combinatie met geleide verbeelding.

Medicamenteuze behandeling

  • Kies bij voorkeur voor orale of transdermale toediening.
  • Kies voor s.c. of i.v. toediening indien orale en transdermale toediening niet mogelijk zijn of onvoldoende snel tot het gewenste effect leiden.
  • Kies voor intrathecale of epidurale toediening bij onvoldoende pijnstillend effect en/of ernstige bijwerkingen van behandeling met opioïden.
  • Hanteer voor de onderhoudsbehandeling een vast schema en een stapsgewijze benadering.
  • Wees extra alert op geneesmiddeleninteracties met opioïden bij patiënten met polyfarmacie en/of patiënten >70 jaar.

Nociceptieve pijn

Stap 1

  • Paracetamol 3dd 1000 mg.
  • Evt. in combinatie met een niet-selectief NSAID (diclofenac tot 3dd 50 mg, naproxen tot 2dd 500 mg of ibuprofen tot 4dd 600 mg), echter niet bij een creatinineklaring van <30 ml/minuut, bij verminderde leverfunctie (Child-Pugh score A-C) en bij hartfalen.

Stap 2

  • Morfine SR (2dd 20 mg, >70 jaar 2dd 10 mg, bij voorkeur niet bij creatinineklaring <30 ml/min) fentanyl transdermaal (12 ug/uur), oxycodon SR (2dd 10 mg, >70 jaar 2dd 5 mg), hydromorfon SR (2dd 4 mg), methadon (alleen indien (overleg met iemand met) ervaring met dit middel) of tapentadol (2dd 50 mg).
  • Zo nodig in combinatie met paracetamol en/of een NSAID.
  • Altijd in combinatie met medicatie voor doorbraakpijn (zie Behandeling van doorbraakpijn).
  • Altijd in combinatie met een laxans (macrogol/elektrolyten of magnesiumhydroxide).
  • Behandel misselijkheid zo nodig met metoclopramide, domperidon of haloperidol en persisterende sufheid zo nodig met methylfenidaat.
  • Overweeg opioïdrotatie bij moeilijk te behandelen bijwerkingen (zie Stap 3).
  • Verlaag bij opioïdgeïnduceerde hyperalgesie de opioïd dosis met 40-50% en start daarnaast met methadon. Overweeg bij onvoldoende effect hiervan opioïdrotatie naar buprenorfine of (tijdens opname) ketamine i.v.
  • Beoordeel het effect van sterkwerkende opioïden na 24 uur; hoog bij onvoldoende effect op in stappen van 50%. Pas in principe de dosering aan als er meer dan 3x per 24 uur doorbraakmedicatie voor onvoorspelbare doorbraakpijn noodzakelijk is.
  • Start met s.c. of i.v. toediening van morfine, oxycodon of hydromorfon indien een snel effect gewenst is of indien de pijn onvoldoende onder controle is met oraal of transdermaal toegediend opioïd. Maak in het ziekenhuis gebruik van Patient Controlled Anesthesia (PCA) bij patiënten die controle willen en kunnen hebben over toediening van doorbraakmedicatie.

Stap 3

  • Pas opioïdrotatie toe als er sprake is van onvoldoende effect en/of onacceptabele bijwerkingen van een opioïd.
  • Pas lokale behandeling met morfinegel als aanvullende behandeling toe bij pijnlijke huidulcera bij onvoldoende effect systemisch toegediende analgetica.
Omrekentabel opioïdenI
MORFINE FENTANYL OXICODON HYDROMORFON TRAMADOL BUPRENORFINE TAPENTADOL
oraal s.c./i.v. pleister oraal s.c./i.v. oraal s.c./i.v. oraal pleister oraal
mg per 24 uur mg per 24 uur μg per uur mg per 24 uur mg per 24 uur mg per 24 uur mg per 24 uur mg per 24 uur μg per uur mg per 24 uur
30 10 12 20 10 6II 2 150    
60 20 25 40 20 12 4 300   150
120 40 50 80 40 24 8 –III 52,5 300
180 60 75 120 60 36 12 –   V
240 80 100 160 80 48 16 – 105  
360 120 150 240 120 72 24 – –IV  
480 160 200 320 160 96 32 – –  

I  Bij het overgaan van het ene opioïd naar het andere (opioïdrotatie) vanwege bijwerkingen wordt geadviseerd om 75% van de equi-analgetische dosis te geven.II  Deze dosering kan in de praktijk niet gegeven worden, omdat de laagste dagdosering van het slow releasepreparaat 4 mg is en het middel 2x per dag moet worden gegeven.
III  De maximale dagdosering van tramadol is 400 mg/24 uur.
IV Hogere doseringen buprenorfine dan 140 μg per uur worden niet geadviseerd.
V  De maximaal onderzochte dosis is 500 mg/dag. Over hogere doses kunnen geen uitspaken worden gedaan.

Behandeling van doorbraakpijn

  • Behandel (indien mogelijk) de oorzaak van de doorbraakpijn en vermijd of behandel (indien mogelijk) uitlokkende factoren.
  • Start bij onvoorspelbare doorbraakpijn met een snelwerkend fentanylpreparaat. Start met de laagste dosering en titreer de dosis aan de hand van het effect op de doorbraakpijn.
  • Kies bij voorspelbare doorbraakpijn voor een IR opioïd of een snelwerkend fentanylpreparaat; houd bij het tijdstip van toediening rekening met de tijd die nodig is voor het optreden van het pijnstillende effect. Start bij een IR opioïd met 1/6 van de (equivalente) dagdosering van het opioïd.
  • Combineer de medicamenteuze behandeling van doorbraakpijn met niet-medicamenteuze behandeling en/of (indien mogelijk en zinvol) invasieve technieken.

Neuropatische pijn

Stap 1

  • Start bij gemengd neuropatische en nociceptieve pijn met sterkwerkende opioïden (als bij stap 2 voor nociceptieve pijn). Sla stap 1 over bij zuiver neuropatische pijn; voeg evt. in een later stadium (bij onvoldoende effect op de hieronder genoemde middelen) een opioïd toe.

Stap 2

  • Anti-epilepticum (pregabaline, gabapentine, lamotrigine, levetiracetam), of
  • Tricyclisch antidepressivum (amitriptyline of (voorkeur bij ouderen) nortriptyline), of
  • SNRI (venlafaxine of duloxetine).

Andere adjuvante analgetica

  • Geef ter voorkoming van een pain flare bij radiotherapie voor pijnlijke botmetastasen, vooraf corticosteroïden.
  • Overweeg het kortdurend toevoegen van corticosteroïden bij pijn bij patiënten met kanker.
  • Overweeg het gebruik van cannabinoïden bij patiënten met pijn bij kanker wanneer deze met de overige middelen onvoldoende behandeld kunnen worden.

Invasieve behandeling

  • Unilaterale chordotomie (bij eenzijdig gelokaliseerde pijn onder C5, levensverwachting <1-2 jaar en ervaring van het centrum met de ingreep).
  • Plexus coeliacusblokkade (bij bovenbuikpijn ten gevolge van een maligniteit, zodra er sprake is van behandeling met opioïden).
  • Neuraxiale toediening van opioïden zo nodig in combinatie met een lokaalanestheticum en/of clonidine:
  • intrathecaal, indien orale, transdermale of parenterale behandeling met opioïden leidt tot onvoldoende pijnstillend effect en/of gepaard gaat met ernstige bijwerkingen;
  • epiduraal, indien intrathecale behandeling niet mogelijk is of bij een zeer korte levensverwachting (korter dan 4 weken).
  • Plexus hypogastricusblokkade (bij viscerale pijn, veroorzaakt door tumoren in het bekken).
  • Lower end block (bij perineale pijn, indien andere behandelingen falen en de patiënt geen blaas- en rectumfunctie meer heeft).
  • Neurolyse van een zenuw (bij lokale pijn).

Diagnostiek en behandeling van pijn in de terminale fase

  • Maak bij onrust onderscheid tussen onrust door een terminaal delier (verlaag dosering of roteer opioïd) en onrust door pijn (intensiveer pijnbestrijding).
  • Staak in principe paracetamol en NSAID’s.
  • Voorkeur voor transdermale toediening van fentanyl of evt. buprenorfine; alternatief: continue s.c. toediening van morfine (niet bij pre-existente creatinineklaring <50 ml/min) of oxycodon.
  • Dien doorbraakmedicatie s.c. of evt. i.v. toe, of via het mondslijmvlies.

 

Geen resultaten gevonden.

NSAID’s algemeen

Diversen

amitriptyline

Tablet 10/25/50 mg

buprenorfine

Oromucosaal tablet 0,2 mg
Pleister 5/10/15/20/35/52,5/70 mcg/uur

celecoxib

Capsule 100/200 mg

dexamethason

Tablet 4 mg

diclofenac

Tablet 12,5/25/50 mg
Maagsapresistente tablet 25/50 mg
Retard tablet 25/50/75/100 mg
Zetpil 25/50/100 mg

duloxetine

Capsule 30/60 mg

etoricoxib

Tablet 30/60/90/120 mg

fentanyl

Pleister 12/25/37/50/75/100 mcg/uur
Injectievloeistof 0,05 mg/ml
Neusspray 50/100/200/400 mcg/dosis
Buccaaltablet 100/200/400 mcg
Oromucosaaltablet 200/400/600/800 mcg
Subling. tab. 100/133/200/267/300/400/600/800 mcg

gabapentine

Capsule 100/300/400 mg
Tablet 600/800 mg

hydromorfon

Capsule 1,3/2,6 mg
Injectievloeistof 10/50 mg/ml
Capsule SR 4/8/16/24 mg

ibuprofen

Liquid capsule 200/400 mg
Suspensie 20/40 mg/ml
Tablet 200/400/600 mg
Bruisgranulaat 400/600 mg
Dragee 200 mg

methadon

Tablet 5/10/20/40/50 mg
Drank 1/2/5 mg/ml (apotheekbereiding)
Injectievloeistof 5/10 mg/ml (apotheekbereiding)

morfine

Drank “Unit-Dose” 2/6 mg/ml, 5 ml (10/30 mg)
Drank 1/2/5/20 mg/ml
Tablet 10/20 mg
Zetpil 10/20/50 mg (apotheekbereiding)
Injectievloeistof 10/20 mg/ml
Tablet met gereguleerde afgifte 10/15/30/60/100 mg

naproxen

Tablet 220/250/275/500/550 mg
Zetpil 250/500 mg

nortriptyline

Tablet 10/25/50 mg

oxycodon

Injectievloeistof 10/50 mg/ml
Capsule 5/10/20 mg
Tablet 5/10 mg
Tablet orodispergeerbaar 5/10/20 mg
Drank 10 mg/ml
Tablet met gereguleerde afgifte 5/10/15/20/30/40/60/80/120 mg

paracetamol

Zetpil 60/120/125/240/250/500/1000 mg
Tablet 500/1000 mg
Tablet orodispergeerbaar 250/500 mg
Bruistablet 1000 mg
Granulaat in sachet 500 mg
Kauwtablet 120 mg
Drank 24 mg/ml
Infusievloeistof 10 mg/ml

pregabaline

Capsule 25/75/150 mg

tapentadol

Tablet met gereguleerde afgifte 25/50/100/150/200/250 mg

venlafaxine

Capsule met gereguleerde afgifte 37,5/75/150/225 mg
Geen resultaten gevonden.