Smelttablet 4/8 mg

Medicatie

ondansetron

Verwerking

Niet fijnmaken, op de tong leggen.

Dosering

1-2 dd 8 mg p.o. of i.v.
1 dd 16 mg supp.
16 mg/24 hr s.c. of i.v.
M.n. bij chemotherapie of radiotherapie, postoperatief of bij misselijkheid en braken t.g.v. nierfalen

Bijwerkingen

>10%: hoofdpijn
1-10%: obstipatie en warmtegevoel, blozen of opvliegers; bij parenterale toediening tevens lokale reacties op de injectieplaats; na rectale toediening tevens lokaal branderig gevoel.
<1%: convulsies, bewegingsstoornissen (waaronder extrapiramidale stoornissen, zoals dystonie, oculogyrische crisis en dyskinesie), pijn op de borst (met en zonder ST-segment depressie), hartritmestoornissen, bradycardie, hypotensie, hik en asymptomatische stijging van leverfunctiewaarden; bij parenterale toediening tevens overgevoeligheidsreacties rondom de injectieplaats (zoals huiduitslag, urticaria en jeuk).

Interacties

Afname ondansetron: de concentratie daalt door rifampicine.
Overig effect: ondansetron kan het QTc-interval verlengen, het risico op ernstige hartritmestoornissen is verhoogd bij combinatie met andere middelen waarbij ernstige hartritmestoornissen zoals torsade de pointes zijn gemeld. Zie verder inleidende tekst Interactielijsten, QTc-verlengers. De interactie is niet relevant bij gebruik van oraal of rectaal ondansetron in combinatie met een ander middel van laag QT-verlengend potentieel.