Injectievloeistof 1 mg/ml / infusievloeistof 1 mg/ml

Medicatie

granisetron

Verwerking

Mag via sonde.

Dosering

2 dd 1 mg p.o.
1-3 dd 3 mg i.v.
3,1 mg/24 hr transdermaal

Contra-indicaties: Aangeboren of verworven lang-QT-intervalsyndroom.
Bij transdermaal gebruik dient de plek van de pleister tijdens het dragen en gedurende 10 dagen na verwijderen ervan beschermd te worden tegen zonlicht vanwege een mogelijk risico op fotogenotoxiciteit.

M.n. bij chemotherapie of radiotherapie of postoperatief
Granisetron transdermaal bij meerdaagse kuur
Werkingsmechanisme: Serotonine (5HT3) -antagonist
(centraal + perifeer)

Bijwerkingen

>10% van de patiënten: hoofdpijn, asthenie en obstipatie.
1-10%: slapeloosheid, slaperigheid, duizeligheid, diarree en stijging van transaminasewaarden.
<1%: extrapiramidale stoornissen, serotoninesyndroom, vertigo, droge mond, verminderde eetlust, blozen, verlenging van het QTc-interval, stijging van g-GT, gewrichtspijn, huiduitslag, gegeneraliseerd oedeem en overgevoeligheidsreacties, zoals urticaria en anafylaxie.
Transdermale pleister kunnen reacties op de aanbrengplek (zoals pijn, jeuk, irritatie, erytheem, uitslag, vesikels, brandwond, urticaria en verkleuring) optreden. Bij ernstige reacties of een gegeneraliseerde huidreactie (zoals allergische uitslag, inclusief erythemateuze, maculaire, papulaire uitslag of jeuk) moet de pleister worden verwijderd.

Interacties

Het analgetische effect van paracetamol kan afnemen.
Bij combinatie met serotonerge middelen (waaronder SSRI’s, SNRI’s en opioïden, zoals buprenorfine) is er mogelijk een verhoogd risico op het serotoninesyndroom.